De betaalmiddelen in de telefooncellen

Munten

Om te kunnen bellen in een telefooncel had men lange tijd alleen maar de juiste muntstukken nodig, bijvoorbeeld 3 stukken van 1 frank of 1 stuk van 5 frank. Nadien kwamen er toestellen die meerdere types muntstukken aanvaardden, en nog later toestellen die verschillende combinaties van munstukken aanvaardden. Gebruiksgemak: optimaal! Voor de klant dan toch...

Aan het betalen met muntstukken kleefden echter twee zeer grote nadelen, voornamelijk voor de operator:

We ontvingen vele tientallen foto's van daden van vandalisme, hieronder slechts een selectie:

Vandalisme in de telefooncellen - 1 Vandalisme in de telefooncellen - 2 Vandalisme in de telefooncellen - 3 Vandalisme in de telefooncellen - 4

Dat dit reële problemen waren bewijst verder de onderstaande reportage uit 1982 uit het BRT-magazine Terloops.

Betalen met muntstukken kon in sommige openbare cellen nog tot in 2006. Vanaf dan werden daar enkel nog kaarten aanvaard. Het bleeft uiteraard wel mogelijk om met muntstukken te bellen op private toestellen.

Jetons

Een bescheiden poging om aan de nadelen van betaling met muntstukken het hoofd te bieden was de introductie van de telefoonjeton. In bepaalde toestellen of op bepaalde locaties werden zo niet langer munstukken gebruikt om een gesprek te betalen. Dit deed de directe waarde van de buit voor dieven afnemenen, maar we moeten wel vermelden dat die jetontoestellen niet op straat te vinden waren maar enkel in binnenlocaties waar dus al een zekere sociale controle was en het risico op diefstal daardoor gering was. Dus dit bood zeker nog geen afdoende oplossing.

De oranje telefoon
de "Oranje telefoon", het bekendste voorbeeld van een jetontelefoon.

Kaarten

Een echt kantelpunt kwam er pas in 1977, bij de introductie van de Telecard. Een uitvinding van het Zwitserse bedrijf Landis & Gyr en een wereldwijde primeur voor België. Deze telefoonkaart was te koop in dagbladhandels, treinstations, teleboetieks, ... en vertegenwoordigde een voorafbetaald krediet (bvb 20 eenheden) dat bruikbaar was in alle met Telecard-toestel uitgeruste telefooncellen. Als de kaart opgebruikt was kon men gewoon een nieuwe kopen en de oude wegwerpen (of bijhouden of wegschenken, want deze kaarten werden al gauw een gegeerd verzamelobject). Meteen was heel het logistieke aspect sterk vereenvoudigd. Het volstond voor de operator om Telecards te (laten) maken en deze (via distributeurs) te (laten) verdelen naar alle verkooppunten. De verkooppunten brachten deze kaarten dan uiteindelijk aan de man. De kaart kende een groot succes en doorheen de jaren kwamen er al maar meer telefooncellen met Telecard-toestellen, terwijl het aantal munttoestellen op straat afgebouwd werd (wat wel deels gecompenseerd werd door meer munttoestellen in bewaakte ruimtes zoals winkels, horeca, parkeergarages, ...). Bij hun introductie waren de Telecards oranjekleurig (we spreken immers nog over de tijd van de RTT met de oranje huiskleur), maar dat veranderde in 1989 met nieuwe lucratieve opportuniteiten: de kaart kon gebruikt worden als advertentieruimte, of als promotieartikel. Honderden verschillende kaarten zagen zo het levenslicht. Met reclames voor een divers pallet aan diensten en goederen, als gratis extraatje bij een product, als relatiegeschenk of zelf visitekaartje. Zelfs als wedstrijdticket of kortingsbon (compleet met kraslaagje indien gewenst). Als souvernir of collector's item, al dan niet in een speciaal mapje dat dan ook nog eens van muziek kon voorzien worden, zoals een verjaardagskaart. De mogelijkheden waren schier eindeloos. De Telecard bracht een groot comfort met zich mee, want niet langer moest men met vele muntstukken naar de cel komen om te bellen (zeker voor internationale - dure - gesprekken een groot ongemak) en dit had zo ook voor resultaat dat de omzet in de Telecard-cellen opmerkelijk steeg in vergelijking met die cellen waar men met munten kon betalen.

De optische Telecard

De eerste generatie telefoonkaarten waren optische kaarten (en dus geen magneetkaarten, zoals velen dachten!). Een holografische band in de achterzijde van de kaart werd, telkens een eenheid verbruikt werd, weggebrand, tot de kaart leeg was. Meestal, maar niet altijd, waren optische kaarten voorzien van een witte strook op de voorzijde, waarop men min of meer kon aflezen hoeveel eenheden verbruikt waren. Hoe zichtbaar de markering was hing vaak af van toestel tot toestel. Het ene zette duidelijke bruine streepjes, bij het andere waren deze bijna onzichtbaar. Bij kaarten die geen witte strook op de voorzijde hadden was het aantal verbruikte eenheden quasi onzichtbaar (als men ze tegen het licht bekeek wou het nog wel eens lukken, maar men moest zeer goed kijken). De witte strook was bij de allereerste kaarten niet aanwezig, vermoedelijk om reden dat men er nog niet had bij stilgestaan dat het wel handig zou zijn als men het aantal verbruikte eenheden visueel zou kunnen waarnemen. Vele jaren later begon men dit meer vanuit het aspect van aantrekkelijkheid te benaderen; de "full face" kaarten konden dan zo over hun volledige oppervlakte ingezet worden als reclamemiddel zonder die storende witte strook.
Aan de rechterzijkant, iets boven het midden trof men sinds +/- 1989 een kleine inkeping aan die aan blinden en slechtzienden de gelegenheid gaf te voelen hoe de kaart in het toestel moest gestoken worden (in de breedte en met de gekleurde zijde naar boven).
De achterzijde van de optische kaarten was over het algemeen volledig zwart, al zijn er wel enkele zeldzame gevallen geweest waar op de achterkant nog een witte opdruk was geplaatst. In RTT-fase was het oppervlak glad en glanzend zwart, bij de overschakeling naar Belgacom werd dat grotendeels mat zwart met uitzondering van de strook waar de kaartlezer de eenheden las. Deze strook werd rondom beschermd door kleine puntjes over de gehele breedte erboven en eronder.
Gelijktijdig met de overstap van RTT naar Belgacom verminderde ook de dikte van de Telecard, wat gezien de vele miljoenen kaarten die ooit gemaakt zijn, een aanzienlijke besparing van materiaal betekende.
Elke Telecard droeg ook steeds een uniek serienummer.
Vaak hoorde men in de tijd van deze optische Telecard spreken over een trucje om gratis te bellen. Het zou volstaan om Tipp-Ex over de witte strook te smeren om de kaart te "herladen". Nodeloos te zeggen dat dit niet werkte, en bovendien vaak schade veroorzaakte aan de kaartlezer. Er bestonden wel andere manieren om te frauderen, maar die waren net iets complexer en voor zover wij weten niet bij het grote publiek bekend en dus zeker niet op grote schaal toegepast.
Over deze Telecards is nog heel veel meer te zeggen, maar dit zou ons een beetje te ver leiden. Neem echter zeker een kijkje op de pagina Links waar een link staat naar de website Colnect waar u gegevens en afbeeldingen vindt van zowat alle Telecards die ooit zijn uitgegeven.

De optische Telecard
de optische Telecard

De Protonkaart

Vele jaren later maakte de Protonkaart haar opwachting in de telefooncel. De door het toenmalige Banksys in 1995 uitgetestte en in 1996 nationaal geïntroduceerde chipkaart was een "elektronische portemonnee". Het volstond om eenmalig een Protonkaart te kopen bij de bank en vervolgens een bedrag (tot 5.000 frank of later 125 euro) op de kaart op te laden, waarna men de kaart kon gebruiken om allerhande kleine aankopen te doen. Bij de bakker en de slager om de hoek, maar ook bvb in frisdrank- en andere automaten. Op allerhande plaatsen waar het elektronisch betalen nog niet erg ingeburgerd was bood de kaart een laagdrempelig alternatief voor betalingen met kleingeld. Na het insteken van de kaart in de terminal en met een simpele druk op de OK-toets was betaling snel gebeurd. Een pincode was hierbij niet vereist. Als de kaart leeg was, kon men ze heropladen aan een bankautomaat.

Protonkaart en Proton-betaalterminal
Protonkaart en Proton-betaalterminal

Doet ergens wel wat denken aan de Telecard? Inderdaad! En dus verschenen begin 1995 in de proefgebieden Leuven en Waver al snel de eerste telefooncellen met een toestel dat (alleen) Protonkaarten aanvaardde. Dit proefproject was een samenwerking tussen Belgacom, Alcatel en Banksys.

Protontelefoon
De eerste Protontelefoon van Alcatel, waarvan er ongeveer 100 exemplaren werden gemaakt voor het proefproject in Leuven en Waver.

Toen Banksys in 1996 overtuigd was van de resultaten van de Protonkaart en het systeem nationaal begon uit te rollen, kwam ook de vraag om àlle Belgische telefooncellen Proton-klaar te maken. Belgacom, dat het idee van een chipkaart al langer genegen was, besloot hierop de grootste transformatie in de geschiedenis van de Belgische telefooncellen in gang te zetten. Alle telefooncellen zouden uitgerust worden met een nieuw telefoontoestel, dat niet langer met een optische Telecard of muntstukken werkte, maar met een Telecard met chip, een Protonkaart, en daarbovenop, in een aanzienlijk deel van de cellen, ook nog eens gecombineerd met muntstukken. Het eerste toestel werd, opnieuw in Leuven, geplaatst op 3 september 1997. De "change-over" was gelanceerd!

Het bleeft niet enkel bij betalen met Proton in de telefooncellen, ze werden ook een belangrijk kanaal om de Protonkaart op te laden. Voordien kon dat enkel aan een bankautomaat, en de Protonkaart was in het begin een aparte kaart, maar werd al snel geïntegreerd in de gewone bankkaart, waardoor het mogelijk werd om ook een banktransactie te doen met dezelfde kaart. Net zoals men in een winkel met Bancontact betaalde, kon men nu de Protonkaart opladen, en met de 15.000 telefooncellen van Belgacom werd de mogelijkheid om Proton op te laden dus significant uitgebreid. En omdat het mogelijk was om de kaart eerst op te laden en ze nadien meteen te gebruiken om te bellen, had voortaan elke houder van een Belgische bankkaart de mogelijkheid om een telefooncel te gebruiken. Eerst werd er nog een kost van 6 frank gerekend voor het opladen van Proton, maar in maart 2001 werd dit gratis.
Bellen met Proton bleef mogelijk tot 1 januari 2015, de dag waarop Proton officieel ophield te bestaan, nadat het gebruik voordien al vele jaren op rij achteruitgeboerd was. Eigenlijk kunnen we stellen dat de laatste generatie payphones opgekomen en verdwenen is samen met Proton. Zij hadden elkaar in sterke mate nodig, en het was dan ook voor de hand liggend dat ze samen uiteindelijk zouden ophouden te bestaan.

De Telecard met chip

Zoals hierboven al te lezen was werd bij de "change-over" de optische Telecard bedankt voor bewezen diensten en in de plaats kwam een Telecard met chip (net zoals de Protonkaart een chip had). In tegenstelling tot de Protonkaart was een Telecard met chip niet herlaadbaar. Ze vertegenwoordigde een bepaalde geldwaarde (bvb 200 BEF of later 5 euro). Men spreekt dus niet langer van een eenhedenkaart, maar van een geldkaart. Dit liet een grotere flexibiliteit toe qua tarifering. Gesprekken naar vaste lijnen werden geteld aan een lager tarief per minuut dan gesprekken naar een mobiel toestel, enz. Het was ook mogelijk om gesprekken aan vast tarief te rekenen, ongeacht hun duurtijd.
Een ander groot verschil was de richting van invoeren van de kaart in het toestel. Daar waar dit bij de optische kaarten in de breedte was is dit vanaf nu in de lengte.
De chip op de kaart is doorheen de tijd een aantal keer van uiterlijk zowel als innerlijke werking veranderd. Oudere kaarten waren immers niet helemaal bestand tegen misbruik. Malafide figuren poogden kaarten te herprogrammeren en op een gegeven ogenblik bestond er zelfs een toestel dat een Telecard met chip emuleerde (nabootste). Er zijn ons enkele gevallen bekend waarbij effectief tot arrestatie van fraudeurs werd overgegaan. Dit was mogelijk doordat alle acties op de payphones op te volgen waren in het centrale systeem en men zo verdachte activiteit en patronen daarin kon vaststellen.

De Telecard met chip
de Telecard met chip

Tot slot nog een kleine wetenswaardigheid. In tegenstelling tot de optische Telecards, die onbeperkt geldig waren, kreeg de Telecard met chip van bij het begin een vervaldatum. De allerlaatst uitgegeven kaarten hadden zo een opgedrukte vervaldatum van 31/12/2014. Merkwaardig wel, als men weet dat de laatste telefooncel pas officiëel uit dienst ging op 1 juni 2015! Om deze tijdspanne te overbruggen werd in het centrale computersysteem ingesteld dat deze kaarten toch nog langer geldig bleven.

Axis, nadien Belgacom Calling Card

De Axis-kaart werd in oktober 1994 gelanceerd. Het principe was eenvoudig: vanop eender welk toestel, vanuit binnen- of buitenland kon men met deze kaart bellen, en de gesprekskosten werden dan afgerekend op de telefoonrekening van de vaste lijn van de kaarthouder. Dit door het vormen van een gratis nummer (in België een 0800-nummer, en op de achterzijde van de kaart vond men de gratis nummers voor een heleboel andere landen terug). Ook vanuit de telefooncellen kon men dus van deze dienst gebruik maken. Op de toestellen van de nieuwste generatie (Proxim/Hybrid/Dialto) was hiervoor zelfs een speciale knop voorzien, zodat men het 0800-nummer niet zelf diende te vormen. Een vlot gebruiksgemak dat wel een hoge prijs had, want bovenop de gesprekskosten werd een extra kost per gesprek aangerekend.
In 1997 werd Axis herdoopt in Belgacom Calling Card en werd de Calling Card-functie ook toegevoegd op vele Belgische bankkaarten (weliswaar dienden men dit voor gebruik te laten activeren).
Bij de jaarovergang 2010-2011 tenslotte hield de Belgacom Calling Card op te bestaan. De knop in de telefooncellen werd gedesactiveerd en van het zicht afgeschermd door een klein metalen plaatje.

Belgacom Phone Pass, XL-Call, Call & Save, Scratch & Phone, ...

Zowel Belgacom, haar dochter Expercom en nog een veelvoud aan andere (niet altijd bonafide) spelers stortten zich in de jaren '90 op de markt van de immer populairder wordende internationale gesprekken. Alle kaarten die deze operatoren uitgaven waren grotendeels op hetzelfde werkingsprincipe gestoeld: men koopt een kaart van een bepaald bedrag (bvb bij een dagbladhandelaar), en op deze kaart vindt men 2 gegevens: een gratis 0800-nummer en een geheime code die verborgen zit onder een kraslaag. Men begeeft zich naar een telefooncel of een ander toestel, belt naar dit gratis nummer en toetst de geheime code in. Vervolgens kan men het buitenlandse nummer vormen.
Heel deze omweg werd uiteraard vooral gedaan om aan goedkopere tarieven te kunnen bellen, en de grote concurrentie op deze markt zorgde inderdaad wel voor een spectaculaire daling van de gesprekskosten. Bijkomende voordelen waren het voorafbetaald zijn van de kaart, waardoor men niet voor onaangename verrassingen kwam te staan (wat bij gesprekken op factuur wel al eens durfde gebeuren) en het feit dat sommige van deze kaarten op hun beurt ook nog eens in het buitenland gebruikt konden worden.
Deze kaarten hebben volgens ons in ieder geval de verdienste gehad dat ze de internationale gesprekken sterk gedemocratiseerd hebben. Anno 2018 belt men vrijwel gratis naar alle uithoeken van de wereld, maar dit was ooit, zelfs naar landen binnen de EU, peperduur.

De Phone Pass
de Phone Pass van Belgacom
XL-Call-kaart van Expercom
een XL-Call-kaart van Expercom, een dochter van Belgacom

De kredietkaart

Los van Telecards en Proton zou men zich misschien nog kunnen afvragen: waren er dan geen telefooncellen waarin men met kredietkaarten kon betalen?
Die waren er, maar hun aandeel was miniem. Belgacom associeerde zich wel aan enkele initiatieven, maar dit was bijna altijd in samenwerking met een derde partij (op de Credifaxphone na). Het ging dan voornamelijk om toestellen in grote internationale hotels en stations, op luchthavens of in gebouwen van de Europese instellingen te Brussel.